
Terugbetaling studiekosten
(1 augustus 2002)
De Wet kent geen regeling omtrent de terugbetaling van studiekosten, die een werkgever ten behoeve van zijn werknemer heeft gemaakt. Wil een werkgever gemaakte studiekosten bij einde arbeidsovereenkomst op zijn werknemer kunnen verhalen, zal dat contractueel moeten zijn vastgelegd. In de jurisprudentie is de rechtsgeldigheid van een beding tot terugbetaling van studiekosten aan de orde gesteld.
Uitgangspunt van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft zich over de geldigheid van
een beding tot terugbetaling van studie- kosten inclusief het betaalde loon
gedurende de studieperiode, uitgelaten in 1983. Een dergelijk beding is in
principe rechtsgeldig, wanneer het gaat om een regeling die:
A. de periode
vaststelt waarin de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de
werknemer verworven kennis en
B. bepaalt dat werknemer, indien de
arbeidsovereenkomst tijdens of
onmiddellijk na afloop van de studie eindigt,
het loon over die periode aan werkgever dient terug te betalen en
C. deze
terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van
de periode genoemd onder A.
Ook dienen aan werknemer de consequenties
duidelijk te zijn uiteengezet. Daarnaast kan een terugvordering in strijd met de
goede trouw zijn indien de werkgever zelf het initiatief neemt tot beëindiging
van de arbeidsovereenkomst.
Lagere
rechtspraak na dit arrest
De Rechtbank Den Bosch achtte in 1989 het beroep
van een werkgever op een bepaling die inhoudt dat de werknemer een gefixeerd
bedrag aan kosten om werknemer in te werken dient terug te betalen in strijd met
de goede trouw.
In twee uitspraken van de Rechtbank te A'dam van 1992 en
1994 werd het terug te betalen bedrag op grond van redelijkheid gematigd nu
werknemers gerede tijd in dienst waren geweest en bijna de eindstreep van de in
de overeen- komst gestelde periode hadden gehaald.
De vraag of een werknemer
bij ontslagname tijdens de proeftijd kan worden verplicht een studiekostenbeding
na te komen beantwoordde de Kantonrechter te A'dam in 1997 ontkennend
De
ontslagname van een werknemer vóór voltooiing van de studie vanwege een
reorganisatie, dient werkgever, als goed werkgever, als een bijzondere
omstandigheid tot ontheffing van terugbetaling in de zin van de
studiekostenregeling te beschouwen aldus de Rechtbank in Assen in 1997.
Recente
uitspraak Kantonrechter Amsterdam
Op 5 juni 2002 wees de kantonrechter het
verhaal van een werkgever van het (gehele) bedrag aan gemaakte studiekosten af.
Volgens het studiekostenbeding diende werknemer de vergoede studiekosten (zowel
de gemaakte kosten als de loonkosten van studieverlof) terug te betalen over een
periode van 24 maanden voorafgaand aan het einde van het dienstverband. De
vordering van het gehele bedrag, (ruim ƒ 10.000,--) voor de laatste 24 maanden
werd een onevenredige aanslag op het inkomen dat werknemer verdiende geacht, en
dus in strijd met goed werkgeverschap. Daarbij betrok de Kantonrechter dat het
beding met zich meebrengt dat de opleidingskosten, die voor werkgever
boekhoudkundig geboekt kunnen worden als bedrijfslast voor belastingen, na
verhaal op werknemer drukken op het nettoloon. Daarnaast werd het beding ook in
strijd met het systeem van de Wet op het terrein van loon (art. 7:617 en 631 BW)
geacht nu de terugbetalingsvordering zo omvangrijk was.
Conclusie
Naast
contractuele afspraken conform de regels van de Hoge Raad, speelt goed
werkgeverschap bij toepassing van het beding een rol. Het lijkt erop dat dit
laatste zwaarder weegt naar mate de terug te betalen (loon) bedragen
omvangrijker zijn.
Advocaten:
» mr. Y.M.Th.L. (Yvonne) Verheggen-de Loo









