
Behoefte aan kinderalimentatie
(17 januari 2003)
Als een alimentatieplichtige slechts in staat is een geringe bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen te betalen of slechts een laag in bedrag aan partneralimentatie kan voldoen, levert het vraagstuk van de behoefte geen problemen op. Er bestaat echter in de praktijk onduidelijkheid over de vraag aan welk alimentatiebedrag kinderen behoefte hebben, als hun ouders samen een (aanzienlijk) hoger inkomen genieten dan € 3.500,-- netto per maand. Daarover gaat dit artikel. De hoogte van de partneralimentatiebehoefte in zaken, waarin de alimentatieplichtige in staat is hogere bedragen te betalen dan nodig zijn voor het dagelijks levensonderhoud van de ander, staat centraal in een artikel dat zal verschijnen in EB februari 2003. Beide artikelen gaan over de vraag, waar de grens ligt van de redelijke alimentatiebehoefte.
Inleiding
Volgens
artikel 1: 397 lid 1 BW wordt bij het bepalen van de hoogte van
kinderalimentatie rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud
gerechtigde en met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Bij
kinderen is het volgens de wet (art. 1:392 lid 2 BW) niet van belang of zij
behoeftig zijn. Een ouder kan zich dus niet tegen een alimentatievordering van
een minderjarig en jong-meerderjarig kind verweren met de mededeling, dat zijn
kind in staat is te gaan werken en dus door arbeid in het eigen levensonderhoud
moet voorzien.
De bovengrens van de kinderalimentatieverplichting wordt
gevormd door de behoeften van het kind. Die worden bepaald door de levenswijze
van betrokkene, in verband met de maatschappelijke omstandigheden (Asser-de Boer
1998, pag. 778). De hoogte van de kinderalimentatiebehoefte is dus afhankelijk
van de welstand, waarin een kind werd opgevoed. Volgens M.J.C. Koens en C.G.M.
van Wamelen (Monografie (Echt)scheidingsrecht nr. 8: kind en scheiding, 2001,
pag. 201) heeft het kind er binnen redelijke grenzen recht op, dat de ouders hem
naar hun eigen welstand onderhouden. Zeer welgestelde ouders mogen hun kind dus
niet op een noodrantsoen zetten, althans niet als zij er zelf een luxueuze
levensstijl op na houden. Dit laat volgens Koens en Van Wamelen onverlet de
vrijheid van zeer draagkrachtige ouders om er, bij voorbeeld uit principiële
en/of pedagogische overwegingen, een sobere huishouding en levensstijl op na te
houden. Waar nu precies de grenzen liggen, maken Koens en Van Wamelen niet
duidelijk.
Werkgroep
Alimentatienormen
Tot
1994 bestonden er geen richtlijnen voor de bepaling van de behoeften van
kinderen. Bij voldoende draagkracht werd de kinderalimentatie meestal
vastgesteld op ƒ 250,-- per kind per maand. Als de kinderalimentatie op dat
bedrag werd vastgesteld, ontving de alimentatieplichtige een fiscaal voordeel in
de vorm van buitengewone lastenaftrek. Daarmee fungeerde genoemd bedrag destijds
als een soort feitelijk maximum. Dat bedrag had evenwel niets te maken met de
vraag aan welk bedrag een kind eigenlijk behoefte had.
De Werkgroep
Alimentatienormen van de NVvR heeft samen met het Nibud onderzoek gedaan naar de
vraag wat kinderen kosten. De Werkgroep heeft op basis van CBS-studies over
kosten van kinderen relaties gelegd tussen het netto gezinsinkomen van de
ouders, het aantal kinderen in het gezin, hun leeftijd en de hoogte van de
behoefte van die kinderen. Het onderzoek is verricht in gezinnen, waarin het
netto gezinsinkomen maximaal € 3.500,-- bedroeg en in welke gezinnen maximaal
vier kinderen waren. Er is geen onderzoek gedaan naar de hoogte van de uitgaven
voor kinderen in gezinnen met een aanzienlijk hoger netto gezinsinkomen of
gezinnen met meer kinderen.
De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd
in het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen, opgesteld in samenwerking met
het Nibud, dat voor het eerst verscheen in Trema 1994-3 onder de naam “Kosten
van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie”. Het rapport bevat
een tabel, die ieder jaar wordt geactualiseerd. In gezinnen met maximaal vier
kinderen worden de kinderbijslagpunten bij elkaar opgeteld. Afhankelijk van het
aantal kinderbijslagpunten blijken de kosten van kinderen bij vier kinderen in
één gezin te variëren tussen de € 1.115,-- en € 1.235,-- of meer, excl. premie
voor de ziektekostenverzekering. Daarin zijn de doorsnee kosten voor
levensonderhoud, kleding, woonkosten, etc. berekend.
De hiervoor genoemde
tabel is gebaseerd op een percentage van het netto gezinsinkomen. Op grond van
berekeningen van het CBS gaat de Werkgroep ervan uit, dat één kind gemiddeld 19%
van het netto gezinsinkomen kost, twee kinderen gemiddeld 27% daarvan, drie
kinderen 34% en 4 of meer kinderen 39%. Daarop wordt de te ontvangen
kinderbijslag in mindering gebracht. Bijzondere kosten (kosten van topsport,
extra hoge kosten van muziekopleiding of bijzonder hoge oppaskosten) dienen
hierbij te worden opgeteld.
Als beide ouders een inkomen hebben, dan ligt
het volgens voormeld rapport voor de hand, dat aan de niet-verzorgende ouder dat
deel van de eigen bijdrage aan alimentatie wordt opgelegd, dat naar rato van het
inkomen van beide ouders en rekening houdend met eventuele andere factoren, voor
diens rekening behoort te komen. Een verlaging of het wegvallen van een inkomen
na de echtscheiding behoort - op grond van het uitgangspunt, dat het
welvaartsniveau ten tijde van de echtscheiding in beginsel bepalend is voor de
bepaling van de kosten van kinderen - geen invloed te hebben op de bepaling van
die kosten. Verhoging van de draagkracht van de niet-verzorgende ouder dient
daarentegen wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte:
indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een
positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag, dat ten behoeve van de
kinderen zou zijn uitgegeven. Maatstaf voor de bepaling van de kosten van de
kinderen is dus het hogere inkomen.
De hiervoor genoemde percentages en de
tabel, behorende bij het rapport “Kosten van kinderen” gelden niet bij netto
gezinsinkomens, die aanzienlijk hoger zijn dan € 3.500,-- per maand. Daar is
immers geen onderzoek naar gedaan. De vraag is echter, hoe in die gevallen de
hoogte van de behoefte moet worden bepaald. Daarbij moet worden vermeld, dat het
partijen steeds vrij staat in individuele gevallen de hoogte van de behoefte van
kinderen individueel te bepalen. Partijen zijn niet verplicht de tabel te
gebruiken. De tabel is een hulpmiddel om in die gevallen, waarin er geen reden
is af te wijken van de algemene gegevens, op eenvoudige wijze de hoogte van de
kinderalimentatiebehoefte vast te stellen.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









