
Behoefte aan partneralimentatie
(17 februari 2003)
De hoogte van de partneralimentatie wordt in veel gevallen begrensd door de draagkracht van de alimentatieplichtige. De Werkgroep Alimentatienormen van de NVvR heeft een stelsel ontwikkeld, waarmee kan worden bepaald hoe hoog de draagkracht van een alimentatieplichtige is. Dat stelsel levert in zijn algemeenheid redelijke uitkomsten op, zij het dat in specifieke gevallen discussie over de al-gemene normering moet (kunnen) worden gevoerd. In die gevallen, waarin de alimentatiedraagkracht erg hoog is, komt de vraag aan de orde hoe hoog de redelijke behoefte van de alimentatiegerechtigde is. Voor de berekening daarvan heeft de Werkgroep alimentatienormen geen stelsel ontwikkeld. Is er dan geen bovengrens aan de redelijkheid van de alimentatiebehoefte? Voor wat betreft kinderalimentatie stond die vraag centraal in het artikel, dat ik in EB januari 2003 publiceerde. Thans gaat het over de bovengrens van partneralimentatiebehoefte.
Inleiding
De
wet biedt weinig houvast voor de becijfering van de hoogte van de
partneralimen-tatiebehoefte. Nadat in art. 1:157 BW het behoeftigheidscriterium
is omschreven, zwijgt de wetgever. In de handboeken wordt ook weinig houvast
geboden. Zo staat in Asser-de Boer, dat de betekenis van de vraag naar de omvang
van de behoeften in een individueel geval niet moet worden overschat, omdat in
verreweg de meeste ge-vallen de draagkracht ver achter blijft bij de
behoefte.
Volgens Asser-de Boer kunnen bij de vaststelling van de behoefte
ook subjec-tieve elementen meewegen en mag de rechter rekening houden met de -
mede door het huwelijk bepaalde - stand van de tot uitkering gerechtigde, zij
het dat de rechter daartoe niet is gehouden. Ook wordt verwezen naar HR 25
november 1977, NJ 1978 359, waarin een beroep op een ongeschreven regel,
inhoudende dat een behoeftige vrouw steeds aanspraak kan maken op een
alimentatie ter grootte van een derde van het inkomen van de man, is verworpen.
In het Tremarapport van de Werkgroep Alimentatienormen wordt aangegeven, dat de
behoefte van de gewezen echtgenoot kan worden gesteld op het bedrag dat nodig is
om een staat te voeren, die de onder-houdsgerechtigde in redelijkheid past. De
welstand van partijen gedurende hun huwelijk is mede bepalend voor de
behoeftevaststelling. Dat alles geeft weinig duide-lijkheid omtrent de grens van
de redelijke behoefte in die gevallen, waarin de draagkracht van de
alimentatieplichtige geen grens aangeeft.
Jurisprudentie
Ook van de Hoge Raad behoeft niet te worden verwacht, dat een nauwkeurige be-grenzing van het behoeftecriterium wordt gegeven. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt in alimentatiekwesties aan de feitenrechter een grote vrijheid toe. Een gerechtshof behoeft niet tot in detail te motiveren, waarom een bepaalde beslissing wordt gegeven. Slechts wanneer sprake is van duidelijke misslagen van een hof of onjuiste rechtsopvattingen worden gehuldigd, kan in cassatie duidelijkheid worden verkregen. De vraag naar de hoogte van partneralimentatie is zodanig feitelijk, dat zelden gesproken zal kunnen worden van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het vin-den van een begrenzing in de alimentatiebehoefte zal men dus met name moeten zoeken naar uitspraken van rechtbanken en hoven. Handvatten zijn voorts te vinden in uitspraken van de Hoge Raad, waarin wordt omschreven waarom bepaalde feitelijke beslissingen rechtens niet onjuist worden geacht. Een voorbeeld van een dergelijke beschikking is die van de Hoge Raad d.d. 19 oktober 2001, LJN-nummer: AB 2742. De casus van die zaak was de volgende. Man en vrouw zijn bijna 29 jaar gehuwd ge-weest. In het kader van de echtscheidingsprocedure verzocht de vrouw een alimenta-tie van fl. 15.000,00 per maand. De rechtbank wees fl. 10.500,00 per maand toe. De man kwam in appèl en betoogde onder meer, dat de behoefte van de vrouw lager lag dan dat bedrag. Het Gerechtshof Amsterdam bepaalde de uitkering voor het levens-onderhoud van de vrouw op fl. 10.000,00 per maand. Nadat de man een aantal mid-delen van cassatie had ingebracht tegen de beslissing van het gerechtshof, oordeelde de Hoge Raad onder meer als volgt:
a. “Het hof heeft voorop gesteld dat bij de bepaling van een redelijke bijdrage in het levensonder-houd van de vrouw "moet worden gelet op" de omstandigheden van partijen tijdens het huwelijk, waarbij zowel financiële als niet-financiële omstandigheden "een rol spelen". De alimentatie-uitkering heeft immers, aldus het hof, de strekking de vrouw in staat te stellen na de ontbinding van het huwelijk voort te leven "overeenkomstig haar door het huwelijk bepaalde stand". Aldus heeft het hof in algemene zin een aantal factoren genoemd, die bij de bepaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw aan de orde komen. Zoals onder meer blijkt uit het gebruik van de term "overeenkomstig", heeft het hof evenwel, anders dan onderdeel 1a veronderstelt, niet een (te) absolute betekenis toegekend aan de stand en de welstand tijdens het huwelijk. Het on-derdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
b. Onderdeel 1b mist eveneens feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld, dat het gehele inkomen van de man zonder meer beslissend was voor de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Het hof heeft met verwerping van de betoog van de man dat alleen datgene wat de vrouw tijdens het huwelijk voor zichzelf uitgaf in aanmerking komt voor de vaststelling van haar behoefte, geoordeeld dat voor bepaling van de welstand van partijen mede van belang is het gedeelte van het inkomen dat werd gespaard en belegd, waarbij het hof kenne-lijk mede de echtelijke woning voor ogen had. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechts-opvatting en behoefde geen nadere motivering.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









