
Verrekenbeding en woning
(17 mei 2003)
De Hoge Raad heeft op 6 december 2002 het arrest Schwanen/Hundscheid gewezen,
dat in het rijtje standaard-uitspraken over het Amsterdams verrekenbeding niet
mag ontbreken. Het is niet zo dat de Hoge Raad baanbrekend werk heeft verricht.
De Hoge Raad heeft slechts de contouren van het periodiek verrekenbeding verder
aangescherpt. Toch is het de moeite waard het arrest Schwanen/Hundscheid te
bespreken, want iedere verduidelijking van deze moeilijke materie is welkom. In
dit artikel zal aan de hand van het genoemde arrest nader ingegaan worden op de
vraag, hoe er tussen ex-echtelieden moet worden afgerekend, wanneer in hun
huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding is opgenomen en er ten laste
van het verrekenbare inkomen is afgelost op de hypotheekschuld van een
echtelijke woning. In één van de volgende nummers van EB zal A.N. La-bohm de
gevolgen van het arrest Schwanen/Hundscheid behandelen, voor die gevallen,
waarin te ver-rekenen inkomsten zijn belegd in een onderneming.
Hoe
zat het ook al weer?
In vele huwelijkse voorwaarden zijn echtelieden
overeengekomen, dat zij buiten ge-meenschap van goederen zullen huwen en dat zij
periodiek, te weten aan het eind van ieder kalenderjaar, ter verdeling bij
helfte bijeen zullen voegen, hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd
is. Echtelieden geven vrijwel nooit uitvoering aan dat periodiek verrekenbeding.
Sedert 1 september 2002 zegt de wet (art. 1:141 lid 1 BW), dat de verplichting
tot verrekening in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door
belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de
vruchten daarvan. Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt
volgens de wet vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden,
tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en
omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. De wetgever heeft hier een
bewijs-regel opgenomen, die de afwikkeling van periodieke verrekenbedingen
beoogt te vergemakkelijken. De bedoeling van dat artikel is niet geweest te
breken met de ge-vormde jurisprudentie ten aanzien van de wijze waarop het bij
het einde van het hu-welijk aanwezige vermogen moet worden verrekend.
De
Hoge Raad heeft in een inmiddels klassiek geworden arrest van 7 april 1995
(Vossen-Swinkels) aangegeven, hoe partijen in zo’n geval met elkaar moeten
verreke-nen. De Hoge Raad stelde voorop, dat een periodiek verrekenbeding “naar
zijn aard ertoe strekt, dat hetgeen van de inkomsten van partijen wordt
bespaard, periodiek tussen hen wordt verrekend”. Doen partijen dat niet, dan is
daarvan het gevolg “dat bij het einde van het hu-welijk ook de
vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van
een echtgenoot is bespaard, maar ongedeeld gebleven, in de verrekening worden
betrokken”. Dit is de kern van de visie, die de Hoge Raad in diverse uitspraken
sedertdien steeds heeft herhaald. Voor het gemak van de lezer som ik hierbij de
standaard-uitspraken van de Hoge Raad nog eens op en noem ik de vindplaatsen
daarvan.
?
Vossen-Swinkels 07-04-1995, NJ 1996, 486
? Rensink/Polak 19-01-1996, NJ 1996,
617
? Negentien geschillen 28-03-1997, NJ 1997, 581
? Bal/Keller
03-10-1997, NJ 1998, 383
? Slot/Ceelen 02-03-2001, NJ 2001, 583
?
Visserij-Beschikking 02-03-2001, NJ 2001, 584
? Lindner/Mannaerts 26-10-2001,
NJ 2002, 93
? Schwanen/Hundscheid 06-12-2002, RvdW 2002, 201
In al die uitspraken van de Hoge Raad en overigens ook in de dagelijkse praktijk was en is het steeds de vraag, wat moet worden verstaan onder overgespaard inkomen, waar men de waardevermeerdering van dat overgespaard inkomen kan vinden en hoe die dan moet worden verrekend. In veel gevallen is overgespaard inkomen gebruikt voor de aanschaf van een echtelijke woning, die goederenrechtelijk eigendom werd van één van de partijen. Op het moment van echtscheiding is de financiële situatie rond die woning vaak complex. Partijen hebben privé-vermogen gebruikt voor de aanschaf van de woning of voor de aflossing van de hypothecaire geldlening. Zij heb-ben daarvoor overgespaard, maar niet gedeeld inkomen gebruikt. Soms is het niet duidelijk of de voor de aanschaf of aflossing gebruikte gelden privé, dan wel gemeen-schappelijk waren. Hoe moeten partijen in die gevallen met elkaar afrekenen?
De
casus
De casus van het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002 was de
volgende. Op 14 december 1972 zijn man en vrouw met elkaar gehuwd buiten
gemeenschap van goederen, maar met een Amsterdams verrekenbeding. Op 12 februari
1973 werd de man eigenaar van de echtelijke woning. Hij had de koopsom van ƒ
35.000,-- (alle be-dragen worden afgerond) en de aankoopkosten gefinancierd door
middel van een hypothecaire geldlening van ƒ 40.000,--. In de loop van de
zeventiger jaren is die hy-pothecaire geldlening een aantal malen verhoogd. De
geleende bedragen werden telkens gebruikt voor onderhoud van en investering in
de woning. Aan het eind van de zeventiger jaren bedroeg de hypotheekschuld ƒ
111.000,--.
Op 3 december 1993 heeft de man een echtscheidingsprocedure
aanhangig gemaakt. Tot die tijd hebben partijen nimmer hun onverteerd inkomen en
de beleg-ging daarvan met elkaar verrekend. De echtscheiding werd op 31 augustus
1994 inge-schreven in de registers van de burgerlijke stand. De woning was toen
ƒ 332.500,-- waard en het restant van de hypotheekschuld bedroeg ƒ 65.000,--.
De vrouw had niet als nevenvoorziening in het kader van de
echtscheidings-procedure verzocht over te gaan tot verrekening. Zij heeft
daartoe in 1997 een dag-vaarding uitgebracht. Zij vorderde dat de man aan haar
de helft zou betalen van de waarde van de woning na aftrek van de
hypotheekschuld. De Rechtbank Maastricht vond dat de vrouw recht had op de helft
van de aflossingen van de hypotheekschuld en wees (ƒ 111.000,-- -/- ƒ 65.000,--
= ƒ 46.000,-- : 2 =) ƒ 23.000,-- toe.
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch
vernietigde het vonnis van de rechtbank en kende de vrouw toe ƒ 133.500,--, te
vermeerderen met wettelijke rente. Het hof over-woog daarbij “dat de woning
tijdens het huwelijk van partijen is gekocht en niet kan worden aange-merkt als
een buiten de verdeling blijvend goed in de zin van het arrest van de Hoge Raad
d.d. 3 okto-ber 1997 inzake Bal/Keller. De woning is gefinancierd door middel
van geleend geld. De geldmiddelen die de man heeft geleend, moeten op één lijn
worden gesteld met bespaarde inkomsten, nu het hier gaat om een geldlening die
uit inkomsten pleegt te worden afgelost, zoals in dit geval ook voor een
be-langrijk deel heeft plaatsgevonden. De waarde van de woning, verminderd met
de restschuld per 3 december 1993, moet in beginsel in de verdeling worden
betrokken, omdat ervan moet worden uitge-gaan dat de als gevolg van de aankoop
van de woning ontstane vermogensvermeerdering van de man is ontstaan door
belegging van hetgeen uit de inkomsten van de man en of de vrouw is bespaard,
maar ongedeeld is gebleven”.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









