
Band echtscheiding en nevenvoorzieningen
(31 oktober 2003)
Gedurende de afgelopen 10 jaar zijn rechters anders gaan denken over de
mogelijkheid om van de echtscheidingsbeslissing in beroep te komen, alleen om te
voorkomen dat een nevenvoorziening in werking zal treden. Myriam de
Bruijn-Lückers is op deze problematiek ingegaan in haar hiervoor onder de titel
"Appèlperikelen" opgenomen bijdrage. De door haar over dit onderwerp besproken
jurisprudentie wordt in dit artikel verder uitgewerkt. Gepleit wordt voor een
verruiming van de mogelijkheden op verzoek van één van de partijen tegelijk te
beslissen over de beëindiging van het huwelijk en nevenvoorzieningen. De
hieronder beschreven casus bevat elementen van de te bespreken jurisprudentie.
Voorbeeld-casus
Arnold is als accountant werkzaam bij een klein kantoor. In avonduren en overige vrije tijd werkt hij voor eigen rekening. Dat heeft partijen geen windeieren gelegd. Partijen bezitten naast een gerieflijke woning annex praktijkruimte een tweede woning, die tot voor kort verhuurd was, een boot en enkele antieke auto’s. Zijn vrouw Ria is schoonheidsspecialiste. Zij werkte in loondienst bij een farmaceutisch bedrijf, waar helaas enkele mensen moesten afvloeien. Dat gold ook voor Ria. Zij heeft daarom de praktijkruimte in de echtelijke woning ingericht als salon en wil als zelfstandig schoonheidsspecialiste werkzaamheden gaan verrichten. Het huwelijk liep op de klippen. Ria verzocht aan de rechtbank bij voorlopige voorziening de kinderalimentatie te bepalen op € 500,-- per kind per maand en haar een partneralimentatie toe te kennen van € 7.000,--. De rechtbank verenigde zich met de gevraagde kinderalimentatie en veroordeelde Arnold bij voorlopige voorziening een partneralimentatie van € 4.000,-- te betalen. Omdat Arnold inmiddels was vertrokken naar de tweede woning, werd Ria bij uitsluiting van Arnold gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning.
Vervolgens diende Arnold een verzoek tot echtscheiding in. Ria voerde geen verweer tegen de verzochte echtscheiding, maar vroeg bij zelfstandig verzoek een alimentatie van € 7.000,-- voor zichzelf en € 500,-- voor ieder van de twee kinderen van partijen. Bovendien vroeg zij aan de rechter om de verdeling van de huwelijkse gemeenschap vast te stellen, aldus dat de woning met praktijkruimte aan haar en de tweede woning, de boot en de antieke auto’s aan Arnold worden toegedeeld. Een half jaar later heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, Arnold veroordeeld een kinderalimentatie van € 350,-- per kind per maand te betalen en een partneralimentatie van € 1.000,-- per maand. De beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap werd aangehouden, teneinde deskundigen de waarde van de woning, de tweede woning, de boot en de antieke auto’s te laten bepalen.
Ria kwam van deze beslissing in appèl. Zij verzocht het gerechtshof om de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen te herstellen, zodanig dat bij één en dezelfde uitspraak wordt beslist op het verzoek om echtscheiding en het verzoek de verdeling vast te stellen. Daarbij zou dan de woning met praktijkruimte aan haar moeten worden toegedeeld. Verder wenste Ria herstel van de band tussen de echtscheiding en de alimentatiebeslissing, omdat zij na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet rond zal kunnen komen van de door de rechtbank vastgestelde alimentatie. Ria heeft er natuurlijk groot belang bij, dat zij na inschrijving van de echtscheiding niet gedwongen wordt de woning met de kinderen te verlaten, temeer niet nu de kans om de woning toegedeeld te krijgen, groot is. In de ogen van Ria is de waarde van de tweede woning, die van de auto’s en de boot veel groter dan de overwaarde van de echtelijke woning met praktijkruimte. Bovendien heeft Ria er belang bij na echtscheiding over een adequate alimentatie te kunnen beschikken. Als zodanig beschouwde zij wel de bij voorlopige voorziening vastgestelde bedragen, maar niet de veel lagere bij definitieve beslissing door de rechtbank opgelegde alimentatie. Arnold wil de echtscheiding inschrijven. Hij wil hertrouwen en de tweede woning gaan bewonen. Ook hij wenst daarnaast de boot en de antieke auto’s toegescheiden te krijgen en is bereid wegens overbedeling een bedrag aan Ria te betalen. Dat de rechtbank de partneralimentatie op zo’n laag bedrag heeft vastgesteld, komt hem goed uit.
Uitspraken tot 1997
Tot 1997 zou Ria een grote kans hebben gehad, dat de band tussen de beslissing omtrent de echtscheiding en die ten aanzien van de nevenvoorzieningen zou worden hersteld. Dat blijkt uit twee uitspraken van de Hoge Raad, te weten die van 26 februari 1993, NJ 1993, 365 en 15 maart 1996, NJ 1996, 408. Opgemerkt dient te worden dat in beide zaken het vóór 1 januari 1993 geldende recht gold. Anders dan sedertdien het geval is, verloren voorlopige voorzieningen toen hun kracht op het moment van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand. Dat is thans anders voor wat betreft de voorlopige voorziening met betrekking tot een huurwoning, gezagsvoorziening en partneralimentatie. Verwezen wordt naar art. 826 Rv. De Hoge Raad overwoog in de beide hiervoor genoemde arresten dat, indien op het tijdstip van inschrijving van de echtscheiding geen beslissing zou zijn gegeven op de in de hoofdzaak door de vrouw ingestelde alimentatievordering,
"de vrouw het gevaar zou lopen van alimentatie verstoken te blijven tot het moment waarop op deze vordering zou zijn beslist. De vrouw had daarom voldoende belang bij het instellen van hoger beroep tegen het vonnis, ook voor zover daarbij de echtscheiding was uitgesproken, en bij haar vordering tot gelijktijdige afdoening van haar vorderingen, te weten het belang te voorkomen dat dit vonnis in kracht van gewijsde zou gaan en vervolgens zou kunnen worden ingeschreven, waardoor de voorlopige alimentatiebeschikking haar kracht zou verliezen. Ook de aard van het rechtsmiddel stond niet eraan in de weg, dat de vrouw hoger beroep instelde met het doel om de band tussen haar vordering tot echtscheiding en haar alimentatievordering te herstellen en gelijktijdige afdoening daarvan te vorderen".
Bij arrest van 15 maart 1996 overwoog de Hoge Raad dat
"de aard van rechtsmiddel van appèl niet eraan in de weg staat dat het, zoals de man heeft gesteld te dezen te hebben gedaan, wordt gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat tezelfdertijd wordt beslist op de vordering tot echtscheiding en die tot levensonderhoud".
Onder de vigeur van deze jurisprudentie zou Ria dus grote kans hebben gehad, dat tegelijkertijd zou worden beslist op het echtscheidingsverzoek en de nevenvoorzieningen.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









