
Formele ontbindingen en WW-risico
(28 mei 2004)
Formele ontbinding van de arbeidsovereenkomst en ww-risico
Als ontbindingsgrond in een formele ontbindingsprocedure wordt meestal volstaan
met de vermelding van "verstoorde arbeidsverhouding" of "verschil van
inzicht".
Deze praktijk om enkel in algemene termen de oorzaak van ontbinding weer te geven, levert achteraf vragen en problemen op bij de Uitvoeringsinstelling bij de WW-aanvraag.
Steeds
vaker wenst de Uitvoeringsinstelling een concrete onderbouwing van het gestelde
"verschil van inzicht" door beantwoording te vragen aan werknemer van de
volgende vragen: hoe is het verschil ontstaan? Kunt u voorbeelden geven van
concrete situaties? Welke acties zijn er ondernomen om tot een gezamenlijke
oplossing te komen etc. etc..
De gedachte dat, naast voormelde algemene
bewoordingen een uitdrukkelijke vermelding in het verzoekschrift van het
ontbreken van verwijtbaarheid van werknemer, voldoende is om te realiseren dat
de Uitvoeringsinstelling tot het verstrekken van een WW-uitkering overgaat, is
onjuist.
Een werknemer is immers niet alleen verwijtbaar werkloos als hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen, dat hij redelijkerwijs moet begrijpen dat dat gedrag het einde van zijn arbeidsovereenkomst kon betekenen, maar ook wanneer de dienstbetrekking is geëindigd (zonder verwijtbaar gedrag van werknemer) terwijl voortzetting ervan gevergd kon worden.
In
de uitspraak van de C.R.v.B. van 21 januari 2004 (JAR 2004, 66) wordt dat voor
betrokken werknemer pijnlijk duidelijk.
Het
bijzondere in deze kwestie was dat werkgever zich aanvankelijk tot de Rechter
had gewend met een inhoudelijk verzoekschrift, waarin werknemer ernstige
verwijten werden gemaakt en geen vergoeding werd aangeboden.
Het
resultaat van de latere onderhandelingen van de gemachtigden leidde ertoe dat
dit verzoek wordt ingetrokken, en een nieuw neutraal verzoekschrift wordt
ingediend, zonder verwijten en onder aanbod van een vergoeding.
Het
alsnog instemmen met de gang van zaken door werknemer en de opstelling van
werknemer ten aanzien van de oorzaak van de problematiek, heeft ongetwijfeld een
rol gespeeld bij de beoordeling van verwijtbare werkloosheid door de C.R.v.B.
Dat neemt niet weg dat ook het ontbreken van een onderbouwing van het
"onoverbrugbare verschil van inzicht" nadrukkelijk in de overwegingen wordt
betrokken.
Volgens de C.R.v.B. bevat de verklaring van de gemachtigden
omtrent het onoverbrugbare verschil van inzicht, "slechts in algemene
bewoordingen gestelde conclusies waaraan iedere onderbouwing ontbreekt, zodat
voor het aannemen van de gestelde verstoorde arbeidsverhouding onvoldoende
stellige feiten voorhanden zijn".
De problemen in de arbeidsrelatie
worden door de C.R.v.B. wel onderkend, maar "gelet op het ontbreken van enig
verwijt aan de zijde van appellant alsook op de aard van de werkzaamheden van
appellant en de omvang van de arbeidsorganisatie van de werkgever" is niet
de conclusie gerechtvaardigd dat deze relatie niet had kunnen worden voortgezet,
omdat daaraan overwegende bezwaren voor werknemer waren verbonden.
Conclusie van dit alles is dat intrekking en vervanging van een inmiddels ingediend inhoudelijk verzoekschrift WW-risico’s in zich bergt, alsmede dat het gestelde verschil van inzicht of verstoorde verhouding van feitelijke onderbouwing moet worden voorzien, én dat het betrekken van de aard van de werkzaamheden en de omvang van de arbeidsorganisatie, voor de onderbouwing van de conclusie dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst overwegend bezwaarlijk voor werknemer is, van belang kan zijn.
Advocaten:
» mr. Y.M.Th.L. (Yvonne) Verheggen-de Loo









