
Voortschrijdend inzicht regels verrekenbedingen
(29 maart 2005)
Nadat de Hoge Raad drie maanden na de inwerkingtreding van de Wet regels verrekenbedingen het arrest Schwanen / Hundscheid wees (HR 6 december 2002, RvdW 2002, 201), volgde op 18 april 2003 de uitspraak in de zaak Zandstra / Vis (NJ 2003, 441). Sedertdien heeft de Hoge Raad geen belangwekkende uitspraken over de toepassing van de regels verrekenbedingen gewezen. Toch heeft de tijd niet stil gestaan. Er wordt volop geprocedeerd over de uitwerking van periodieke verrekenbedingen. Voor de rechtsvinding is dat nodig. De wetgever heeft immers welbewust nagelaten kernbegrippen van de regels verrekenbedingen wettelijk te definiƫren, met de bedoeling de rechtsvorming bij de toepassing van de regels verrekenbedingen niet in de weg te staan. Voor de praktijk is daarom verslaglegging van de jurisprudentie over de betekenis van kernbepalingen rond verrekenbedingen van groot belang. In dit artikel worden de belangrijkste mij bekende uitspraken, die gerechtshoven en rechtbanken daarover hebben gewezen in 2003 en 2004, behandeld. Vragen die naar verwachting in 2005 en 2006 door middel van rechtspraak zullen worden beantwoord, worden aangestipt.
Schwanen / Hundscheid
In een artikel onder de titel "Verrekenbeding en woning", dat in EB mei 2003 verscheen op pagina 69 t/m 73, vatte ik de jurisprudentie van de Hoge Raad tot en met 2003 samen. De verschillende visies in de rechtspraak met betrekking tot de toepassing van het Amsterdams verrekenbeding werden in de zaak Schwanen / Hundscheid geƫtaleerd. Het ging over een woning die begin 1973, kort na het huwelijk van partijen, aan de man werd geleverd. De koopprijs en verwervingskosten werden geheel gefinancierd. Bovendien werd de hypotheekschuld van fl. 40.700,- in de periode 1974 tot en met 1979 drie maal verhoogd voor onderhoud van en investering in de woning tot fl. 111.100,-. Vanaf 1979 tot eind 1993, toen de man een echtscheidingsprocedure startte, werd op de hypotheekschuld van de woning fl. 41.970,- afgelost uit overgespaard inkomen. De Rechtbank Maastricht vond op 12 november 1998 dat de helft van de aflossingen aan de vrouw toekwam, te weten fl. 20.985,-. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde op 14 december 2000 dat mevrouw recht had op de helft van de waarde van de woning ten tijde van het starten van de echtscheidingsprocedure, nadat de hoogte van de hypotheekschuld daarvan was afgetrokken, te weten (fl. 332.500,- - fl. 64.808,- : 2 =) fl. 133.846,-. De Hoge Raad achtte die beslissing niet juist. Het ging immers niet om een woning die gemeenschappelijk eigendom van partijen was. De hypotheekschuld, aangegaan ten behoeve van de verwerving en verbouwing van die woning, was afgelost uit overgespaard en niet verrekend inkomen. De omstandigheid dat de woning tijdens het huwelijk is geleverd, brengt volgens de Hoge Raad mee, dat sprake is van een belegging tijdens het huwelijk: "In zodanig geval moeten de aflossingen aan de woning worden toegerekend, hetgeen ook strookt met de gedachte dat met een verwerving uit overgespaard inkomen moet worden gelijk gesteld een verwerving tegen betaling uit een lening, die vervolgens wordt afgelost uit overgespaard inkomen. Het Hof heeft daarom een onjuist uitgangspunt gehanteerd bij de bepaling van hetgeen moet worden verrekend. Na verwijzing zal alsnog op de voet van rov. 4.1.2 van het arrest Slot / Ceelen moeten worden begroot voor welk gedeelte de woning in de verrekening dient te worden betrokken", aldus de Hoge Raad.
Dat
heeft het Gerechtshof Arnhem op 10 augustus 2004 (LJN: AR4557) gedaan. Het hof
citeerde in zijn arrest daarvoor eerst rov. 4.1.2. van Slot / Ceelen, waarin
staat: "Het hof is kennelijk er van uitgegaan dat, wanneer een der
echtelieden gedurende de periode waarover verrekend moet worden, aandelen in een
besloten vennootschap heeft verworven en de koopprijs daarvan heeft betaald met
door hem daarvoor geleend geld, de aandelen in de verrekening moeten worden
betrokken naar de mate waarin de financiering van die verwerving gedurende de
bedoelde periode ten laste is gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven
inkomsten. Aldus oordelend is het hof uitgegaan van een juiste maatstaf. In een
dergelijke geval zal, indien de lening waarmee de verwerving is gefinancierd
niet volledig ten laste is gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven
inkomsten, de rechter aan de hand van de beschikbare gegevens dienen te begroten
voor welk gedeelte de aandelen in de verrekening dienen te worden betrokken.
Daarbij dienen niet slechts de aflossingen op de hoofdsom van de geldlening,
maar ook rente en andere kosten en, indien van belang voor een redelijke
toerekening, ook de tijdstippen waarop de verschillende betalingen hebben
plaatsgevonden of zullen plaats vinden, in de beschouwing te worden
betrokken".
Vervolgens stelde het Hof Arnhem vast, dat partijen het
erover eens zijn dat alleen de aflossing op de hypothecaire geldlening (en niet
de hypotheekrente) als overgespaard inkomen dient te worden aangemerkt. Nu de
verwerving in eigendom van de woning door de man tijdens het huwelijk als
belegging moet worden aangemerkt en de aflossingen aan de woning moeten worden
toegerekend, gaat het hof er vervolgens toe over "te begroten in welke mate de
financiering van die verwerving gedurende de periode waarop de verrekening
betrekking heeft ten laste is gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven
inkomsten". Dat doet het hof in twee stappen. De eerste stap vormt een zuivere
toepassing van de door de Hoge Raad aanvaarde evenredigheidsleer: van de waarde
van de woning op de peildatum ad fl. 332.500,- dient een deel dat wordt gevormd
door de breuk fl. 41.970,- (totale aflossingen) gedeeld door
fl. 111.100,-
(in totaliteit geleend bedrag), ofwel fl. 125.608,- in de verrekening te worden
betrokken. Aan de vrouw komt daarvan in beginsel de helft ofwel fl. 62.804,-
toe. Dit volgt inmiddels ook uit de wet. In artikel 1:136 lid 1 BW (dat op 1
september 2002 directe werking heeft gekregen) staat immers op moeilijke wijze
geformuleerd, datgene wat het Hof Arnhem in deze rechtsoverweging op zo'n
heldere wijze heeft uitgewerkt.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









