» Insolventierecht & Herstructurering

Beëindiging van de 403-aansprakelijkheid: aandachtspunten voor jurist en accountant
(21 april 2008)

De verklaring als bedoeld in lid 1 sub f van artikel 2:403 BW, vormt één van de voorwaarde voor het mogen toepassen van dit artikel dat ook wel bekend staat als de groepsvrijstelling. De consoliderende moedermaatschappij moet zich dan aansprakelijk stellen voor de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochter. Indien die dochter van de vrijstelling gebruikt maakt, behoeft zij haar jaarrekening niet overeenkomstig Tilel 9 van Boek 2 BW in te richten. De wet bevat in artikel 2:404 BW ook een regeling omtrent de intrekking van deze aansprakelijkstelling. Daarbij doen zich enkele beëindigingsperikelen voor. Hieronder een aantal voorbeelden.

Jaarrekening conform Titel 9 Boek 2 BW
De eerste belangrijke vraag die aan de orde komt is welke jaarrekening van de tot voor kort vrijgestelde groepsmaatschappij voor het eerst weer aan de eisen van Titel 9 van Boek 2 BW moet voldoen nadat het groepsregime overeenkomstig artikel 2:404 lid 1 BW is beëindigd. Hierover bestaan verschillende opvattingen. Ter verduidelijking een voorbeeld. Stel dat op 1 juni 2007 de goedkeuring plaatsvindt van de jaarrekening over het boekjaar van 2006 en er op dat moment een aansprakelijkheidsverklaring is gedeponeerd. De vrijstelling wordt verkregen en vlak daarna wordt de aansprakelijkheidsverklaring weer ingetrokken. Als men aanneemt dat deze tussentijdse intrekking geen gevolgen heeft voor de jaarrekening over het boekjaar van 2006, dan kan men zo met een minimale aansprakelijkheid een maximale vrijstelling verkrijgen. Men zou dit zo elk jaar opnieuw kunnen doen. Om dit misbruik te voorkomen moet mijns inziens worden aangenomen dat indien de aansprakelijkheidsverklaring tussentijds wordt ingetrokken, de toegepaste vrijstelling vervalt en de publicatieplicht conform Titel 9 Boek 2 BW alsnog herleeft. In het voorbeeld van zojuist zou dit dan betekenen dat indien de aansprakelijkheidsverklaring wordt ingetrokken voordat de jaarrekening over 2007 is vastgesteld, de jaarrekening van 2006 alsnog moet worden neergelegd.

De ‘vergeten’ intrekking
Een tweede aandachtspunt is het volgende. Bij de verkoop van een groepsmaatschappij wil het nog wel eens voorkomen dat de moedermaatschappij haar aansprakelijkheidsverklaring vergeet in te trekken. Het is in dat geval de vraag wat er moet gebeuren indien er later door een crediteur een beroep op deze verklaring wordt gedaan. De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zou zich onder omstandigheden kunnen verzetten tegen een succesvol beroep van een schuldeiser op de aansprakelijkheidsverklaring. Ook de rechtspraak leek onder omstandigheden die mogelijkheid open te laten. In 1999 heeft de rechtbank in Rotterdam echter anders beslist. In haar belangwekkende vonnis stelt zij de rechtszekerheid voorop en neemt als uitgangspunt dat de aansprakelijkheid alleen kan worden beëindigd met rechtsgeldige toepassing van artikel 2:404 BW. De casus betrof een moedermaatschappij (Netagco Holding BV) die in 1995 al haar aandelen in een groepsmaatschappij had verkocht en daarvan opgave deed in het handelsregister. Twee jaar later gaat deze ex-groepsmaatschappij failliet. Een schuldeiser (Lely) die voorafgaande aan het faillissement zaken met deze ex-groepsmaatschappij had gedaan, spreekt de moedermaatschappij aan op grond van haar niet ingetrokken 403-verklaring. De rechtbank overweegt terecht dat: “uit een oogpunt van rechtszekerheid en redelijke verdeling van verantwoordelijkheden en risico’s meer gewicht toekomt aan de - niet ingetrokken - gepubliceerde verklaring waarmee Netagco (gedaagde) de onderhavige aansprakelijkheid heeft aanvaard, dan er gewicht kan worden toegekend aan de bedoelde omstandigheden waaruit degene die van de toepasselijke wetsbepalingen op de hoogte is zou kunnen afleiden dat er naar alle waarschijnlijkheid voor Netagco (gedaagde) geen reden meer was voor handhaving van die aansprakelijkheid.” Men zal er dus goed op moeten letten dat bij de beëindiging van het groepsregime de aansprakelijkheidsverklaring eveneens wordt ingetrokken teneinde later niet alsnog met een onverwachte kostenpost te worden geconfronteerd.

Resterende aansprakelijkheid
De strenge toepassing van de wet die blijkens de rechtspraak wordt gehanteerd bij het opheffen en het beëindigen van de aansprakelijkheid, betekent voor een moedermaatschappij die een 403-verklaring afgeeft, dat zij zeer alert zal moeten zijn wanneer zij niet meer aansprakelijk wenst te zijn voor haar dochter. Dit brengt mee dat zij er op bedacht moet zijn dat er na intrekking van de aansprakelijkheidsverklaring niettemin nog aansprakelijkheid blijft bestaan voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen verricht vóór de intrekking. Artikel 2:404 lid 3 BW spreekt van ‘de overblijvende aansprakelijkheid’ en stelt een aantal cumulatieve voorwaarden voor beëindiging van deze resterende aansprakelijkheid. Met name bij verkoop van een groepsmaatschappij of bij een juridische fusie waarbij de groepsband wordt verbroken, vergeet men wel eens dat er nog resterende aansprakelijkheid bestaat. Dit kan voor beide partijen grote gevolgen hebben. Een accountant doet er in dat geval goed aan om te wijzen op de grote juridische consequenties die een 403-verklaring met zich mee kan brengen.

 

Advocaten:

»  mr. M.J. (Maarten) Blommaert

 

« terug