
» Insolventierecht & Herstructurering
Grootaandeelhouder in toenemende mate aansprakelijk bij faillissement dochter
(21 april 2008)
De macht die een grootaandeelhouder binnen een concern kan uitoefenen is niet altijd zonder risico’s. Steeds vaker komt het voor dat de moedervennootschap als (enig) aandeelhouder, in geval van het faillissement van haar dochter, aansprakelijk wordt gesteld, met name als zij zich intensief heeft bemoeid met de gang van zaken binnen die dochter. Een dergelijke doorbraak van aansprakelijkheid lijkt verstrekkend, maar is dat ook zo?
In december vorig jaar nog, werd Hagemeyer N.V. door de Rechtbank Utrecht
aansprakelijk gehouden voor de schade die de schuldeisers van haar dochter
Ceteco hadden geleden als gevolg van het faillissement van Ceteco. Hagemeyer had
intensieve bemoeienis gehad met het beleid van haar dochter. De curatoren in het
faillissement van Ceteco stelden dat Hagemeyer als aandeelhouder onrechtmatig
had gehandeld jegens de schuldeisers door vervolgens niet in te grijpen toen
duidelijk was dat bij voortzetting van het gevoerde beleid de schuldeisers
zouden worden benadeeld. De rechtbank beoordeelde dit standpunt als juist en
concludeerde dat Hagemeyer haar zorgplicht aldus had geschonden.
Uitspraak geen
verrassing
De
uitspraak van de Rechtbank Utrecht is op zichzelf geen verrassing. De Hoge Raad
heeft reeds geruime tijd geleden bepaald dat van een dergelijke
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een grootaandeelhouder onder
bepaalde omstandigheden sprake kan zijn. De vraag is – kort gezegd – of de
moedervennootschap als aandeelhouder inzicht heeft in het gevoerde beleid bij
haar dochter en daarop ook invloed uitoefent. Is dat het geval, dan handelt de
moedervennootschap onzorgvuldig wanneer duidelijk is dat bij ongewijzigde
voortzetting van dat beleid schuldeisers worden benadeeld en zij desondanks niet
ingrijpt. Met name zal in dat geval tot aansprakelijkheid kunnen worden
geconcludeerd wanneer de verwevenheid tussen moeder en dochter in bedrijfsmatig
opzicht groot is en bovendien sprake is van (geobjectiveerde) wetenschap van
benadeling van crediteuren.
Bijzonder aan deze wijze van
aansprakelijkstelling is dat de gootaandeelhouder wordt verweten dat hij heeft
“stilgezeten”. Met name het moment waarop de betrokken aandeelhouder in een
voorkomend geval had moeten ingrijpen, hangt af van de omstandigheden van het
geval en is feitelijk lastig te bepalen.
Beleid voorbehouden aan
bestuur
Het
uitzetten en uitvoeren van het beleid van de vennootschap is een taak die de wet
in de eerste plaats heeft voorbehouden aan het bestuur. Het gaat een
grootaandeelhouder dan ook in beginsel niet aan om daarmee (intensieve)
bemoeienis te hebben. Doet zij dit wel, en bovendien onzorgvuldig dan is het
mijns inziens terecht dat die aandeelhouder daarvoor aansprakelijk wordt
gehouden.
Bij het bovenstaande past wel een kanttekening. In werkelijkheid is het vaak zo dat binnen een groep vennootschappen in economisch opzicht het groepsbelang prefereert boven het belang van de afzonderlijke vennootschappen. Dit maakt dat een zekere mate van bemoeienis van de topaandeelhouder in die groep onvermijdelijk is. Om die reden wordt aansprakelijkheid van de aandeelhouder dan ook niet snel aangenomen. Hoewel dus een doorbraak van aansprakelijkheid naar de aandeelhouder bij faillissement verstrekkend kan zijn, zal in de praktijk niet snel tot aansprakelijkheid worden geconcludeerd. Het is de taak van de curator om te onderzoeken of de aandeelhouder zorgvuldig heeft gehandeld.
Advocaten:
» mr. M.J. (Maarten) Blommaert









