
De Alimentatie- rekening van de B.V.
(3 juli 2008)
Als de alimentatieplichtige een zelfstandige ondernemer is, is dan het salaris uit de B.V. bepalend voor de draagkracht? Of de winst van de B.V.? Of het uitgekeerde dividend?Dit artikel gaat in op de wijze waarop de draagkracht van de ondernemer kan worden bepaald in het geval er alimentatie moet worden vastgesteld.
De draagkracht van een alimentatieplichtige, ook wanneer deze ondernemer is,
baseert men op het inkomen en de objectief noodzakelijke privé-lasten. Niet
noodzakelijkerwijs op het feitelijke inkomen, maar op het inkomen waarover de
ondernemer redelijkerwijs kan beschikken. Daarbij kan het gaan om inkomen
uit arbeid (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang zoals dividend (box 2) en
inkomen uit vermogen (box 3).
De
draagkracht voor alimentatiebetaling is dan gelijk aan 60% (als een ondernemer
alleenstaand is) of 45% (samenwonend) van: het redelijkerwijs beschikbaar
inkomen minus de noodzakelijke vaste lasten. In dit artikel ga ik verder met
name in op de draagkracht voor partneralimentatie en op het inkomen in box 1 en
2.
Redelijkerwijs
beschikbaar inkomen
Bij
een ondernemer levert de vaststelling van het redelijkerwijs beschikbaar inkomen
vaak discussie op. Heeft de ondernemer zeggenschap in de vennootschap (volledig
of bij meerderheid) dan houdt de zoektocht naar het redelijkerwijs beschikbaar
inkomen niet op bij het actuele salaris uit de vennootschap. Maakt de besloten
vennootschap winst, dan zou de ondernemer zich wellicht een hoger salaris kunnen
uitbetalen en zou dat hogere salaris, als redelijkerwijs beschikbaar, de basis
vormen voor de draagkrachtberekening.
Houdt de zoektocht dan op bij de winst, die uit de jaarrekening van de vennootschap blijkt?
Een enkeling meent van wel met een beroep op de belangen van de onderneming. De jaarrekening is een fiscaal stuk, waarin zoveel mogelijk de fiscale faciliteiten ten behoeve van de vennootschap zijn aangewend. Het behoeft echter niet in strijd te zijn met het belang van de onderneming om niet zo zeer vanuit fiscaal oogpunt, maar meer vanuit alimentatieoogpunt naar de jaarrekening te kijken.
Een
jaarrekening bevat vaak kosten die geen uitgaven zijn: bijvoorbeeld
afschrijvingen en negatieve herwaardering van voorraden. Maar ook uitgaven die
geen kosten zijn: bijvoorbeeld investeringen en aflossingen op financieringen.
Winst
alimentatiejaarrekening is hoger
Wijziging
van de jaarrekening in een alimentatiejaarrekening kan een hogere winst tot
gevolg hebben. Zo vermindert de afschrijving op de balanswaarde van goodwill de
winst. Is die goodwill in de balans opgenomen na inbreng in de B.V. van een
eenmanszaak, dan staan er geen kosten tegenover deze afschrijving (dit is anders
bij aflossing van een geldlening, aangegaan ter aankoop van de goodwill). Het
bedrag van de afschrijving, waarmee de winst wordt verminderd, wordt dus niet
werkelijk uitgegeven. Dit bedrag, hoewel fiscaal geen winst, is feitelijk
beschikbaar voor de ondernemer om als (extra) salaris of dividend op te nemen
ook al lijkt het winstcijfer in de jaarrekening anders aan te geven. Hetzelfde
geldt voor de afschrijving op het bedrijfsgebouw dat de vennootschap in eigendom
heeft en dat in werkelijkheid in waarde toeneemt.
Ook kan er in enig jaar sprake zijn van incidentele uitgaven, die zich in de jaren daarna niet meer zullen voordoen (bijvoorbeeld extra accountantskosten in verband met de echtscheiding of een eenmalige reclamecampagne). Bij de berekening van de draagkracht voor in de toekomst te betalen alimentatie moeten zulke kosten buiten beschouwing worden gelaten, simpelweg omdat die zich in de toekomst niet meer voordoen.
Er
is in de voorgaande gevallen sprake van een hogere winst dan de fiscale en dus
van een hoger redelijkerwijs beschikbaar inkomen dan het feitelijk door de
ondernemer genoten salaris.
Winst
alimentatiejaarrekening lager
Een
nader onderzoek van de (fiscale) jaarrekening kan echter ook leiden tot een
lagere draagkracht dan het winstcijfer op het eerste gezicht doet vermoeden. Is
de onderneming bijvoorbeeld verplicht om aan de bank een vast bedrag af te
lossen op de afgesloten bedrijfsfinanciering (terwijl een financiering zonder
aflossing onmogelijk kan worden verkregen), dan zien we dit alleen terug in de
balans, niet in de winst en verliesrekening. De onderneming moet in dat geval
een deel van de winst aan de bank voldoen en kan dat winstdeel dus niet als
hoger salaris of dividend aan de alimentatieplichtige ondernemer uitkeren.
Weliswaar zou men deze schuldaflossing kunnen zien als vermogensopbouw (sparen
dus, hetgeen niet ten koste van alimentatiebetaling mag gaan) maar als de
aflossingsverplichting onontkoombaar is, kan de onderneming en daarmee de
ondernemer moeilijk verplicht worden om die euro’s twee keer uit te geven.
Een
ander punt van aandacht is vaak de pensioendotatie. Als de ondernemer pensioen
in eigen beheer opbouwt, heeft de andere echtgenoot bij echtscheiding recht op
afstorting van de helft van de waarde van het opgebouwde pensioen. Vaak is die
waarde wel in de balans gereserveerd, maar is het bedrag niet feitelijk gespaard
en geïnvesteerd in bijvoorbeeld het bedrijfspand. De toekomstige winst van de
B.V. is dan voor een deel nodig om ten behoeve van de andere echtgenoot, tevens
alimentatiegerechtigde, de helft van het pensioen te kunnen afstorten. Dat deel
van de winst kan de ondernemer dus niet als extra salaris of dividend opnemen
ter verhoging van zijn draagkracht voor alimentatiebetaling.
Noodzakelijke
reserves
Daarnaast
moet natuurlijk altijd rekening gehouden worden met de omvang van de financiële
reserves die de onderneming behoeft. Deze behoefte is afhankelijk van de aard
van de onderneming, de branche waarin deze opereert en van de aangegane
verplichtingen en wettelijke vereisten. Salarisverhoging of dividenduitkering
mag in beginsel niet ten koste gaan van de bedrijfseconomisch noodzakelijke of
wettelijk dan wel contractueel (financieringsvoorwaarden!) verplichte reserves.
Ook niet als de salarisverhoging is bedoeld voor de betaling van
partneralimentatie.
Conclusies
Als
met al dergelijke winstverhogende en winstverlagende effecten rekening wordt
gehouden, kan er geen bezwaar bestaan tegen het wijzigen van de fiscale
jaarrekening in een alimentatiejaarrekening. De door mij beschreven aanpassingen
van de fiscale jaarrekening houden rekening met de belangen van de
alimentatiegerechtigde zonder tegelijkertijd de belangen van de onderneming uit
het oog te verliezen. Zowel de ondernemer en de onderneming als de
alimentatiegerechtigde hebben uiteindelijk eenzelfde belang: continuïteit van de
onderneming en daarmee van de inkomstenstroom van de ondernemer en van de
alimentatiebetaling.
Bepalend voor de draagkracht van de ondernemer voor het betalen van alimentatie zijn dus: het salaris en het dividend dat de ondernemer zich redelijkerwijs kan uitbetalen ten laste van de winst die blijkt uit de alimentatiejaarrekening van de besloten vennootschap. Die winst is immers gelijk aan het feitelijk aan de ondernemer uitkeerbare resultaat van de onderneming, anders dan de fiscale winst.
Advocaten:
» mr. M.L.A. (Marc) van Opstal









