
Eerlijk zullen we alles delen
(3 juli 2008)
Onlangs heeft de Belastingkamer van de Rechtbank Breda een uitspraak gedaan die van belang is voor mensen met een eigen woning, die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en vervolgens overgaan tot echtscheiding. De centrale vraag in deze kwestie is hoe partijen de aangifte inkomstenbelasting dienen in te vullen, indien partijen reeds tijdens het huwelijk niet meer samenwonen.
De casus die voor lag was de volgende. Partijen waren gezamenlijk eigenaar van
een woning. Met ingang van 1 juli 2003 is de vrouw uit voornoemde woning
verhuisd. Op 7 juli 2004 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Verder is nog van belang dat partijen voor hun aangifte inkomstenbelasting en
premie volksverzekeringen 2003 bewust niet gekozen hebben voor het fiscaal
partnerschap. De man heeft vervolgens in zijn aangifte IB 2003 het volledige
bedrag van de over dat jaar betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht. Verder
heeft hij de gehele huurwaarde forfait opgegeven. De inspecteur heeft bij het
opleggen van zijn aanslag de hypotheekrente en het opgegeven huurwaarde
forfait die door de man is aangegeven gehalveerd.
De
man maakt bezwaar tegen deze correctie, maar de Belastingkamer van de rechtbank
geeft de inspecteur gelijk. De rechtbank redeneert als volgt: de huwelijkse
gemeenschap tussen partijen wordt ten opzichte van derden geacht te werken
totdat de echtscheiding in het huwelijksgoederenregister is ingeschreven. Omdat
gedurende het hele jaar 2003 de woning voor de onverdeelde helft in eigendom bij
de vrouw was en voor de andere onverdeelde helft bij de man, wordt iedere
ex-echtgenoot afzonderlijk ten aanzien van zijn onverdeelde helft in de
heffing van de inkomstenbelasting betrokken. De woning was, met andere woorden,
in 2003 voor de helft als eigen woning van de man aan te merken.
De
rechtbank accepteert de stelling van de man niet dat de betaalde hypotheekrente,
voorzover die betrekking heeft op het gedeelte van de woning dat in 2003 niet
als zijn eigen woning valt aan te merken, gekwalificeerd kan worden (indirect)
als alimentatie (die ook in aftrek kan worden gebracht). De man voorziet door
het voor zijn rekening nemen van deze kosten immers niet in het onderhoud van de
vrouw, waarvoor alimentatie toch uiteindelijk bedoeld is.
Tenslotte
heeft de inspecteur nog een bedrag van € 473,- bij het belastbaar inkomen van de
man opgeteld onder de noemer “ontvangen alimentatie”. De rechtbank volgt
de overweging van de inspecteur dat het woongenot van het deel van de woning dat
toebehoort aan de vrouw in de periode van 1 juli 2003 tot en met 31 december
2003, moet worden beschouwd als een onderhoudsverplichting. Dit woongenot wordt
gewaardeerd op de helft van de huurwaarde.
Het
spreekt voor zich dat deze uitspraak van groot belang is in de
echtscheidingspraktijk. Een situatie zoals die hiervoor wordt geschetst,
namelijk dat één van de twee echtgenoten de echtelijke woning verlaat, waarna
partijen niet kiezen voor het fiscaal partnerschap en beiden er vanuit gaan dat
zij alle lasten (dus ook de fiscale lasten) van de woning waar zij op dat moment
wonen voor hun rekening nemen, is immers een situatie die vaak voorkomt. Voor
degene die het betreft is het dan ook van groot belang in een dergelijke
situatie met zijn of haar advocaat overleg te voeren over mogelijke
oplossingen.
Interesse?
De
gepubliceerde uitspraak kunt u in zijn geheel lezen op:
http://zoeken.rechtspraak.nl/default.aspx
Bron:
LJN: BA2446, Rechtbank Breda
Advocaten:
» mr. I.G.S. (Ingrid) Claessen









