
Vermogensoverheveling zonder belastingbetaling
(21 oktober 2008)
Verkrijging van een nalatenschap betekent betaling van successierechten. Er bestaan verschillende manieren om dit te voorkomen. Op grond van een recente uitspraak van de Hoge Raad (11 juli 2008) is er een nieuwe oplossing definitief mogelijk geworden: het afsluiten van een levensverzekering met nabestaanden, waarbij de toekomstige erflater als “verzekeringsmaatschappij” optreedt.
In deze uitspraak heeft de Hoge Raad de volgende constructie beoordeeld. De man
heeft met zijn echtgenote en kinderen levensverzekeringen afgesloten. De
echtgenote en de kinderen zijn eigenaren van de levensverzekering, die is
afgesloten op het leven van de man, waarbij de man ook als verzekeraar optreedt.
De echtgenote en de kinderen betalen de premie aan de man, met gebruikmaking van
een jaarlijkse schenking van de man aan hen. Na overlijden van de man hebben
zijn weduwe en zijn kinderen recht op een aanzienlijke verzekeringsuitkering.
Deze verplichting tot het doen van de verzekeringsuitkering maakt dan deel uit
van de nalatenschap van de man. Daardoor is het positief saldo van die
nalatenschap aanzienlijk lager, zodat ook het bedrag, waarover successierechten
zijn verschuldigd, aanzienlijk lager is.
In het door de Hoge Raad
beoordeelde geval, waren de overeenkomsten van levensverzekering in 1995
afgesloten en is de erflater in 2000 overleden. De belastingdienst stelde zich
op het standpunt, dat de verzekeringsuitkeringen als nalatenschap moesten worden
beschouwd zodat daarover successierecht moest worden betaald. Het Gerechtshof
te 's-Hertogenbosch maakte een onderscheid tussen de echtgenote en de kinderen.
Bij de echtgenote, die geen erfgename was, werd de uitkering onbelast gelaten.
De kinderen, erfgenamen, waren wel successierechten over de uitkering
verschuldigd, omdat bij hen sprake zou zijn van ongeoorloofde
wetsontduiking.
De Minister van Financiën stelde cassatieberoep in. Deze
was van oordeel dat ook de uitkering bij de echtgenote was belast op grond van
de Successiewet of anders op grond van wetsontduiking. Ook de kinderen stelden
cassatieberoep in, omdat zij van mening waren dat van wetsontduiking geen sprake
was.
De Hoge Raad stelde vast, dat zowel echtgenote als kinderen aan de
erflater normale premies voor de levensverzekering hadden betaald, net als zij
aan een levensverzekeringsmaatschappij zouden hebben betaald. Voorts stelt de
Hoge Raad vast dat de wetgever uitdrukkelijk heeft geregeld, dat het jaarlijks
schenken van de premies er niet toe leidt dat na overlijden over een
verzekeringsuitkering successierecht moet worden betaald. Het beroep van de
Minister van Financiën werd dan ook verworpen. Volgens de Hoge Raad is er geen
sprake van ongeoorloofde wetsontduiking. De verzekeringsuitkeringen blijven
onbelast met successierecht.
Er zou er zelfs voor kunnen worden gekozen
om deze verzekeringsconstructie al in de huwelijkse voorwaarden op te nemen, dan
wel later tijdens het huwelijk door een wijziging huwelijkse voorwaarden of door
het sluiten van een afzonderlijke verzekeringsovereenkomst. Hoe jonger de
verzekerde, des te lager kan de premie zijn en daarmee de jaarlijks door de
verzekerde aan de verzekeringnemers te schenken bedragen. Dan is de kans groter,
dat die schenkingen beneden de vrijstellingsgrens voor schenkingsrecht blijven.
Zo lang maar wordt voldaan aan het criterium, dat de premie overeenstemt met de
tarieven voor een vergelijkbare verzekering bij een professionele
verzekeringsmaatschappij, is de constructie succesvol.
Als men voor een dergelijke constructie wil kiezen, is het zaak daarmee niet te lang te wachten en de verzekering af te sluiten als de verzekerde nog gezond is. Anders leidt het tot aanzienlijk hogere premies of zelfs mislukking van de constructie. Wordt de verzekering immers pas afgesloten als een ernstige ziekte van de verzekerde is geconstateerd,dan is de kans groot dat het dan nog opzetten van een dergelijke constructie wel als wetsontduiking zal worden gezien.
Advocaten:
» mr. M.L.A. (Marc) van Opstal









