
Verrekenbeding en voorhuwelijks vermogen
(21 oktober 2008)
“Het hof heeft
de op de peildatum aan de woning toe te kennen (netto) meerwaarde bepaald die
toe te schrijven valt aan de verbetering van de woning ten gevolge van de met
onverteerde inkomsten bekostigde verbouwingen en heeft geoordeeld dat die
meerwaarde tussen partijen verrekend moet worden. Daarmee heeft het hof niet
miskend dat de door de man ten huwelijk aangebrachte woning en de waardestijging
daarvan tijdens het huwelijk op zichzelf niet onder het verrekenbeding vallen en
buiten de verdeling behoren te blijven (vgl. Hoge Raad 3 oktober 1997, nr.
16349, NJ 1998, 383). Het hof heeft immers vastgesteld dat de woning, indien
daaraan tijdens het huwelijk geen enkele verbouwing zou hebben plaatsgevonden,
op de peildatum € 119.600,- waard zou zijn geweest, en het heeft dat bedrag
buiten de verrekening gelaten en slechts de zojuist bedoelde meerwaarde –
teweeggebracht door de uit onverteerde inkomsten bekostigde verbouwingen –
aangemerkt als tijdens het huwelijk verkregen vermogen. De omstandigheid dat de
man de woning ten huwelijk heeft aangebracht, behoefde het hof dus niet te
weerhouden van zijn oordeel dat de zojuist bedoelde meerwaarde als resultaat van
de belegging van onverteerde inkomsten in de verrekening moet worden betrokken.
Het voorgaande geldt op gelijke wijze onder de per 1 september 2002 in werking
getreden wettelijke regeling inzake verrekenbedingen”.
Verder klaagde
de man in cassatie dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan, dat aflossing
tijdens het huwelijk van een vóór het huwelijk door één der echtenoten ten
behoeve van de verwerving van een door hem ten huwelijk aangebracht goed
aangegane lening, kan worden aangemerkt als belegging van onverteerde inkomsten
in dat goed, zodat het beleggingsresultaat in de verrekening moet worden
betrokken. De Hoge Raad oordeelde dat die oordelen wegens gemis aan feitelijke
grondslag niet tot cassatie kunnen leiden.
“Het hof heeft immers
alleen de meerwaarde die toe te schrijven valt aan de verbetering van de woning
ten gevolge van de, met onverteerde inkomsten bekostigde verbouwingen in de
verrekening betrokken, waar nog bij komt dat ’s hofs begroting van het te
verrekenen bedrag kennelijk berust op het uitgangspunt dat de door de man ten
huwelijk aangebrachte schuld uit hypothecaire lening van € 35.692,- geacht moet
worden op de peildatum nog integraal open te staan.”
Door te
oordelen dat de klachten als omschreven onder 2 t/m 2.2 falen, lijkt de Hoge
Raad geoordeeld te hebben, dat de aanwending van onverteerde inkomsten voor
investeringen in vóórhuwelijks vermogen leidt tot een evenredige aanspraak in de
waardestijging van een door één der echtgenoten ten huwelijk aangebrachte
onroerende zaak. Kort gezegd: de beleggingsleer geldt als uit overgespaard
inkomen tijdens het huwelijk wordt geïnvesteerd in een vóórhuwelijks
vermogensbestanddeel. Ik ben het daar roerend mee eens. Toch blijft er ruimte
voor twijfel. Die ontstaat doordat de man in feitelijke instanties niet, althans
volstrekt onvoldoende, heeft aangegeven hoeveel de diverse verbouwingen hebben
gekost en welk deel van die kosten uit overgespaard inkomen is betaald. Daardoor
kon het Gerechtshof Amsterdam niet de in artikel 1:136 lid 1 BW genoemde som
maken, zoals de Hoge Raad diezelfde som heeft gemaakt in 2006 (HR 27 januari
2006, RFR 2006, 26 in de zaak Schwanen/Hundscheid II). Daarom overwoog
het hof ook “dat het ervoor gehouden moet worden dat dat deel van de
waardestijging van de woning, dat is gerealiseerd door de tijdens het huwelijk
gedane verbouwingen onder aftrek van de hypothecaire lening, is gefinancierd
door belegging van overgespaarde inkomsten. Een betere methode om
achteraf de omvang van de aan de woning toegevloeide besparingen te berekenen,
is in casu niet voorhanden.” Het hof kon dus niet anders dan op
deze wijze de hoogte van de verrekeningsvordering vaststellen.
Hoe
zou het echter volgens de leer van de Hoge Raad en artikel 1:136 lid 1 BW
moeten? Uit de lezenswaardige conclusie van A.G. Wesseling-van Gent kan worden
afgeleid, dat de verbouwingen, die tijdens het huwelijk waren uitgevoerd, totaal
€ 110.000,- hebben gekost. Als de woning ten tijde van de huwelijkssluiting
€ 40.000,- waard is geweest, moet dat bedrag als financieringskosten voor de
aanschaf van de woning worden genomen. De hypotheekschuld per peildatum bedroeg
€ 117.983,-. Uit inkomen werd aan (verbouwing van) de woning besteed het tijdens
het huwelijk afgeloste deel van de hypothecaire leningen ad (€ 40.000,- +
€ 110.000,- -/- € 117.983,- =) € 32.017,- alsmede de uit inkomen betaalde tweede
verbouwing ad € 50.000.-. Het verrekenbaar vermogen bedraagt dan € 82.017,- :
€ 150.000 x € 500.000,- = € 273.390,-, waarvan aan de vrouw de helft ofwel
€ 136.695,- zou toekomen. Het hof kwam op een iets hoger bedrag. Merkwaardig
echter is in de berekening van het hof de aftrek van de restant hypotheekschuld
ten laste van de verbouwing ad € 82.291,- alsmede de aftrek van het “aandeel man
geïndexeerd” ad € 119.600,-. De bijzondere omstandigheid dat in deze casus geen
behoorlijke berekening kon worden gemaakt, heeft mijns inziens tot gevolg dat
nog niet geheel zeker is, of de Hoge Raad op investeringen tijdens het huwelijk
uit overgespaard inkomen in een vóórhuwelijks vermogen de beleggingsleer
toepast. Hier is per saldo immers slechts sprake van toepassing van de
beleggingsleer op investeringen uit overgespaard inkomen in verbouwingen, die
tijdens het huwelijk zijn gepleegd en op de waardevermeerdering, die de woning
daardoor tijdens het huwelijk heeft ondergaan. Anderzijds kan men er niet om
heen dat de Hoge Raad de cassatieklacht over het feit dat het gerechtshof een
evenredige aanspraak in de waardestijging van een door één der echtgenoten ten
huwelijk aangebrachte onroerende zaak toekent, heeft
verworpen.
Slotgedachten
Hoe zou de Hoge Raad hebben
geoordeeld, als de kosten van verwerving van de woning los van de
verbouwingskosten waren gefinancierd en er niet was afgelost op de leningen,
aangegaan ten behoeve van de verbouwingen. Dan zou € 32.017,- zijn afgelost op
de lening, aangegaan voor de aanschaf van de woning en zou, eveneens uit
inkomen, € 50.000,- zijn gebruikt voor de verbouwingen. Zou de Hoge Raad dan een
vergelijkbare beslissing hebben genomen, bij voorbeeld conform de berekening die
hierboven is gegeven en ingevolge welke het verrekenbaar vermogen € 273.390,-
bedraagt? Enige twijfel is er, doordat de Hoge Raad naar aanleiding van de
eerste klacht overwoog:
“De omstandigheid dat de man de woning ten
huwelijk heeft aangebracht, behoefde het hof dus niet te
weerhouden van zijn oordeel dat de zojuist bedoelde meerwaarde als resultaat van
belegging van onverteerde inkomsten in de verrekening moet worden
betrokken”.
Het woordje “dus” brengt twijfel mee. Zou het oordeel in het hierboven geschetste imaginaire geval anders zijn geweest? En zou de Hoge Raad in dat geval het aankoopbedrag van de woning (al dan niet geïndexeerd) ook in mindering hebben gebracht bij het berekenen van de som? Voorlopig zullen we daar naar moeten gissen.
Advocaten:
» mr. dr. L.H.M. (Louis) Zonnenberg









