
Situatieve arbeidsongeschiktheid en loondoorbetaling
(30 oktober 2008)
Op 27 juni 2008 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de vraag of een werknemer in geval van situatieve arbeidsongeschiktheid waarbij geen sprake is van ziekte of gebrek aanspraak heeft op loondoorbetaling.
Feiten
Werknemer
had zich op 17 april 2003 ziek gemeld. Aanvankelijk oordeelde de bedrijfsarts
dat de werknemer situatief arbeidsongeschikt was maar later verklaarde de
bedrijfsarts de werknemer volledig arbeidsgeschikt. Reïntegratie was om die
reden niet aan de orde. Werknemer heeft zijn werkzaamheden toen niet hervat
omdat hij zich situatief arbeidsongeschikt achtte. Vervolgens heeft de werkgever
werknemer schriftelijk opgeroepen om weer op het werk te verschijnen. Hieraan
heeft de werknemer geen gevolg gegeven. Daarop heeft de werkgever het loon
gestaakt en later is werknemer in een buitengewone vergadering van
aandeelhouders (het ging hier om een statutair bestuurder) met onmiddellijke
ingang ontslagen.
De werknemer startte een procedure en vorderde een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag en vorderde loondoorbetaling over de periode dat de werkgever het loon gestaakt had. Nadat zowel de rechtbank als het Hof de vordering tot loondoorbetaling had afgewezen, ging de werknemer in cassatie bij de Hoge Raad.
Ten aanzien van de vordering tot loondoorbetaling overweegt de Hoge Raad het volgende.
Hoge Raad
Als
zich de situatie voordoet dat de werknemer zich situatief arbeidsongeschikt acht
terwijl er ten aanzien van die gestelde arbeidsongeschiktheid geen medische
beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, dan
bestaat er geen loonaanspraak op grond van artikel 7:629 BW (loondoorbetaling
bij ziekte). Vervolgens doet zich de vraag voor of in zo’n geval van situatieve
arbeidsongeschiktheid gezegd kan worden dat de werknemer zijn werkzaamheden niet
heeft verricht door een oorzaak die voor redelijkheid voor rekening van de
werkgever behoort te komen (een loonaanspraak op grond van artikel 7:628 BW).
Daarover oordeelt de Hoge Raad als volgt: Een werknemer die zich erop beroept dat hij als gevolg van de situatieve arbeidsongeschiktheid zijn werkzaamheden niet heeft verricht, zal feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk moeten maken die tot het oordeel leiden dat hij op basis van artikel 7:628 BW toch aanspraak heeft op loon. Daarbij merkt de Hoge Raad nog op dat een werknemer in beginsel wel is gehouden om alle medewerking te verlenen aan inspanningen die erop gericht zijn om de oorzaken daarvan weg te nemen.
De door de werknemer aangevoerde omstandigheden werden in deze zaak als ontoereikend beoordeeld en konden niet de conclusie rechtvaardigen dat de werknemer zijn werkzaamheden niet hoefde te hervatten zonder zijn aanspraak op loon te verliezen.
Conclusie
Het
arrest van de Hoge Raad kan een werkgever in een soortgelijke situatie meer
houvast bieden bij een eventuele discussie of het loon moet worden doorbetaald
als sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid (niet-ziek) en betreffende
werknemer geen gehoor geeft aan de oproep om het werk te hervatten.
Advocaten:









